Pensioenschade bij ontslag
Bij beëindiging van de dienstbetrekking dienen twee aspecten gescheiden te worden.
|
Het eerste aspect betreft de aanspraak op ouderdomspensioen indien er sprake is van een uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst. Conform artikel 55 PW (oud art. 8 PSW) behoudt de werknemer het recht op zijn opgebouwde pensioenaanspraken. Deze pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment van beeindiging. Daarnaast wordt er een aanspraak op weduwen-/weduwnaarspensioen toegekend die door de pensioenuitvoerder naar redelijkheid wordt vastgesteld (in de praktijk) doorgaans 70% van het tijdsevenredige ouderdomspensioen. Dit aspect speelt zowel bij vrijwillig als bij onvrijwillig ontslag een rol. Het tweede aspect betreft de derving van pensioenrechten in de toekomst. Tengevolge van het ontslag wordt de pensioenopbouw gestaakt. In bepaalde gevallen van ontslag kan een schadevergoeding worden geëist van de werkgever ten aanzien van de schade die door het ontslag is veroorzaakt. Er is een aantal bepalingen opgenomen in het Burgerlijk Wetboek op basis waarvan de rechter kan besluiten tot het toewijzen van een schadevergoeding, onder andere bij kennelijk onredelijk ontslag of bij ontslag wegens een dringende reden. In dat geval kan ook een vergoeding van de pensioenschade worden gevorderd. Indien is komen vast te staan dat er ruimte is voor een vergoeding wegens geleden pensioenschade, zal deze vergoeding bepaald dienen te worden. De hoogte van de schade is afhankelijk van zeer veel factoren, zoals bijvoorbeeld de duur van de werkloosheid, de salarisontwikkeling in de toekomst, de herintredingskans en de hoogte van de oude en eventueel nieuwe pensioenregeling. Een formule die gehanteerd kan worden voor het bepalen van de ontslagschade is de zogenaamde Kantonrechtersformule, waarbij per doorgebracht dienstjaar, gewogen naar de leeftijd, een schadevergoeding van 1, 1,5 of 2 maanden salaris wordt gegeven. Hierbij wordt echter uitgegaan van het salaris exclusief bijdrage pensioenpremie van de werkgever. De Kantonrechtersformule ziet derhalve uitsluitend op inkomensschade en niet op pensioenschade. De laatste tijd ziet men dat de pensioenschade steeds meer als aparte schade wordt vastgesteld en vergoed, naast de inkomensschade en overige schade die de werknemer bij ontslag lijdt. |
De maximale pensioenschade die de werknemer lijdt is de contante waarde van de in de toekomst op te bouwen pensioenaanspraken. Bij de bepaling van deze waarde is het van belang of de toezegging een nominaal, een vast stijgend dan wel een welvaarts-/waardevast pensioen behelst.
Deze maximale schade wordt, in matigende zin, beïnvloed door een aantal elementen. Indien de pensioenopbouw na het ontslag (gedeeltelijk) wordt voortgezet door de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering (FVP), derft men minder pensioen. De FVP-regeling geldt echter alleen voor werkloze werknemers van 40 jaar of ouder gedurende de periode waarin een loongerelateerde WW-uitkering wordt ontvangen. Daarnaast is de eigen bijdrage van de werknemer van belang. Ons inziens vormt de eigen bijdrage geen grondslag voor schadevergoeding, hoewel betoogd zou kunnen worden dat door het wegvallen van het inkomen geen middelen meer beschikbaar zijn om de eigen bijdrage te financieren. Dit valt echter onder de inkomensschade en niet onder de pensioenschade. De contante waarde van de toekomstige eigen bijdragen wordt derhalve in mindering gebracht op de contante waarde van het te derven pensioen. Tenslotte wordt de schade beïnvloed door de kans van de werknemer op een nieuwe dienstbetrekking waarin wederom pensioenopbouw plaatsvindt. Aangezien deze kans zich moeilijk laat kwantificeren wordt deze veelal buiten beschouwing gelaten bij een berekening. |
